Sigmund Freud

 blog freud

Freud verdient – hoe vreemd, onaantrekkelijk of grappig sommige van zijn theorieën ook zijn – onze aandacht omdat hij ons een fantastisch verhelderend beeld geeft van de reden waarom ‘mens zijn’ heel erg moeilijk is.

Hij omschreef zichzelf als een geobsedeerde neuroot. Hoewel de vader van de moderne psychologie ons veel over óns innerlijk heeft verteld, was hij zelf ook ontroerend kwetsbaar.

Sigmund Schlomo Freud werd in 1856 geboren in Freiberg, dat nu Příbor heet en in de Tsjechische Republiek ligt. Zijn familie was Joods en kwam uit de middenklasse. Freud hield bijzonder veel van zijn moeder, die hem haar ‘gouden Sigi’ noemde, maar hij had een hekel aan zijn vader, die mogelijk gedreigd heeft om de kleine Sigi zijn penis eraf te snijden als Sigi niet zou ophouden die aan te raken.

Freuds professionele leven was niet meteen een succes. Als jonge student medicijnen ontleedde hij honderden mannelijke palingen om te proberen vast te stellen waar hun voortplantingsorganen zitten, maar hij slaagde er niet in iets over het onderwerp te publiceren. Toen richtte hij zijn aandacht op een nieuw, opwindend verdovingsmiddel, waar hij de loftrompet over stak. Maar helaas bleek cocaïne verslavend en gevaarlijk te zijn, en moest Freud ermee ophouden het middel voor medisch gebruik aan te bevelen.

Een paar jaar later begon hij eindelijk met de beginselen van de tak van wetenschap waar hij later zo beroemd om zou worden: een nieuwe psychologische behandeling die hij psychoanalyse noemde. Een mijlpaal in deze ontwikkeling was zijn boek De droomduiding (oorspronkelijke uitgave: 1900). Er volgden nog veel meer studies, waarvan de belangrijkste waren: Psychopathologie van het dagelijks leven (1901), De ziektegeschiedenissen van ‘kleine Hans’ en de Rattenman (1909), Voorbij het lustprincipe (1920) en Het onbehagen in de cultuur (1930).

Ondanks zijn succes als arts, schrijver en psychologisch expert, was hij vaak ongelukkig. Hij was een workaholic en vertrouwde een vriend toe: ‘Ik kan me niet voorstellen dat het leven zonder werk echt een pretje is.’ Tijdens een zwaar deel van zijn onderzoek schreef hij: ‘De belangrijkste patiënt door wie ik in beslag genomen word, ben ikzelf...’

Hij kon heel jaloers zijn op collega’s. Hij is eens flauwgevallen bij een lezing van Carl Jung en hij verbood al zijn studenten om contact te hebben met Alfred Adler. Hij was ervan overtuigd dan hij tussen zijn 61ste en 62ste zou overlijden en had fobieën over die getallen.

Hij raakte ooit een keer in paniek toen hij in Athene was en ontdekte dat hij kamernummer 31 had, de helft van 62. Hij troostte zich met zijn geliefde sigaar, maar was zich daar ook heel bewust van, omdat hij dacht dat het een vervanging was van zijn eerdere masturbatiegewoonte.

Toch droegen zijn eigen angst en verdriet bij aan zijn grootste wetenschappelijke bijdrage: zijn onderzoek naar het vreemde ongelukkig zijn van de menselijke geest. Zijn werk laat ons zien dat het bewuste, het rationele deel van de geest, in zijn bewoordingen ‘niet eens meester van zijn eigen huis’ is. In plaats daarvan worden we gestuurd door rivaliserende krachten, waarvan we er vele niet eens bewust waarnemen. Freud verdient – hoe vreemd, onaantrekkelijk of grappig sommige van zijn theorieën ook zijn – onze aandacht omdat hij ons een fantastisch verhelderend beeld geeft van de reden waarom ‘mens zijn’ heel erg moeilijk is.

1. Plezier versus de realiteit

Freud schreef voor het eerst over dit innerlijke conflict in zijn essay Formuleringen over de twee principes van het psychisch gebeuren uit 1911. Hierin beschrijft hij het ‘lustprincipe’, dat ons aanzet tot fijne dingen zoals het hebben van seks en het eten van panna cotta, en ons weerhoudt van onplezierige dingen, zoals geestdodend werk doen en irritante mensen ontmoeten. Ons leven wordt aanvankelijk alleen door instincten gedreven; als kind handelen we min of meer alleen op basis van het lustprincipe. Wanneer we ouder worden, gaat ons onderbewuste hier gewoon mee door, want ‘het onderbewuste is altijd infantiel’.

Het probleem, zei Freud, is dat we niet zomaar het lustprincipe kunnen blijven volgen, omdat we dan krankzinnige dingen zouden doen, zoals met leden van onze eigen familie slapen, het geld van andere mensen stelen, en mensen die ons ergeren vermoorden. We dienen rekening te houden met wat hij het ‘realiteitsprincipe’ noemde.

Het zou ideaal zijn als we ons op een nuttige, productieve manier aan de eisen van het realiteitsprincipe zouden aanpassen: ‘Het genot van het moment, waarvan het resultaat onzeker is, wordt opgegeven, maar alleen om op het nieuwe pad verzekerd genot voor later te vinden.’

Dit is een belangrijk onderliggend principe van religies, ondderwijs en wetenschappen: we leren onszelf onder controle te houden en schuiven het plezier dat we op dit moment kunnen hebben van ons af om op een later moment veel meer (en meestal sociaal acceptabeler) plezier te kunnen hebben.

Freud bemerkte echter dat veel mensen hier moeite mee hebben. Hij geloofde dat er betere en slechtere manieren zijn om ons aan de realiteit aan te passen; hij noemde de niet zo goede manieren ‘neuroses’. In het geval van een neurose schuiven we onze driften van ons af – we onderdrukken ze – maar ten koste van iets. We worden ongelukkig zonder dat we de symptomen daarvan begrijpen.

We worstelen bijvoorbeeld met het feit dat we ons soms aangetrokken voelen tot mensen die niet onze partner zijn. Deze worsteling is te pijnlijk om constant te voelen, dus onderdrukken we die onbewust. In plaats daarvan zijn we onterecht jaloers op onze partner en raken we ervan overtuigd dat hij of zij ons met een ander bedriegt. Dit is een projectie van onze angst. Dit neemt een stukje van ons schuldgevoel over onze dwalende blik weg, maar onze partner kan er dol van worden. Het is een vorm van aanpassen aan de uitdagingen waarvoor we ons gesteld zien, maar het is natuurlijk niet zo’n goede vorm.

Freud dacht dat het leven vol van zulk soort neuroses is, dat veroorzaakt wordt door het conflict tussen ons ‘id’, gedreven door het lustprincipe, en ons ‘ego’, dat rationeel beslist hoe we moeten reageren op de driften van het id. Soms ontstaan neuroses als gevolg van een strijd tussen ons ego en ons superego of moralistische kant.

Om deze dynamiek te kunnen begrijpen, is het meestal nodig om terug te gaan naar de periode in ons leven die veel van onze neuroses heeft voortgebracht.

2. De kinderjaren

Onze kindertijd is de tijd waarin we leren ons aan te passen aan de realiteit – ten goede of (vaak) ten kwade. We worden geboren met ruwe, ongepolijste verlangens waar we ons niet voor schamen. Naarmate we ouder worden, wordt ons echter enige ‘beschaving’ bijgebracht en worden we geacht ons aan te passen aan de sociale realiteit. Als we ons niet goed aanpassen, raken we in de problemen.

Onze psychologische geschiedenis begint met wat Freud de ‘orale fase’ noemde, waarin het leven om eten draait. Vanaf onze geboorte willen we aan de borst drinken op elk gewenst moment. Maar dat moet ons in de loop van de tijd ontwend worden. Dit is heel moeilijk voor ons. Als onze ouders niet uitkijken (of nog erger: als ze een beetje sadistisch zijn) doen we allerlei neuroses op: zelfverloochening, eten om rustig te worden of afkerigheid van de borst. Maar we worstelen vooral met afhankelijkheid. Als onze moeder te lang wacht, worden we later misschien veeleisend en zijn we verbaasd als de buitenwereld niet verschaft wat we willen hebben. Of we leren om het afhankelijk zijn van anderen te wantrouwen.

Vervolgens komt de ‘anale fase’ (die wij kennen als de fase van zindelijkheidstraining), waarin we met de uitdagingen van onze ontlasting worden geconfronteerd. Onze ouders vertellen ons wat we moeten doen en wanneer – ze vertellen ons hoe we ons moeten gedragen. In deze fase beginnen we de grenzen van autoriteit te testen. We kiezen er bijvoorbeeld voor om uit protest onze ontlasting op te houden. Als volwassenen worden we dan misschien overdreven ordelijk en netjes en bieden we gauw weerstand. Of we vermijden om geld uit te geven. Als onze ouders te toegeeflijk zijn, testen we misschien de autoriteit en grenzen van anderen te vaak uit. Dit leidt er niet alleen toe dat we er als peuter ‘een vieze boel van maken’, maar dat we op latere leeftijd verkwistend en onattent worden.

Freud zei dat de reactie van onze ouders van groot belang is. Als ze ons beschaamd maken wanneer we niet gehoorzamen, ontwikkelen we misschien allerlei angsten. Maar we moeten tegelijkertijd leren dat er grenzen zijn, en sociaal acceptabel gedrag. Met andere woorden, in de fase van zindelijkheidstraining leren we met het conflict tussen onze drang naar genot en de eisen van onze ouders om te gaan. We moeten ons op passende wijze aan deze eisen aanpassen, anders raken we in de problemen.

Vervolgens komt de ‘fallische fase’ (die duurt tot we een jaar of zes zijn), waarin we met onze genitale verlangens en nieuwe, onmogelijk te vervullen seksuele wensen leren omgaan. Freud choqueerde zijn tijdgenoten door vol te houden dat kleine kinderen seksueel zijn: ze hebben seksuele gevoelens, krijgen erecties, masturberen en willen met hun genitaliën langs verschillende objecten en mensen wrijven (zelfs nu nog voelen veel mensen zich ongemakkelijk bij dit idee). In Freuds tijd werd in niet mis te verstane termen tegen het kind gezegd dat hij ermee moest ophouden; tegenwoordig doen we dit op een vriendelijke manier. Maar het gaat om hetzelfde: kinderseksualiteit wordt niet toegestaan. Voor een kind betekent dit dat een krachtig aspect van het jonge zelf stevig wordt onderdrukt.

Dit is nog gecompliceerder omdat kinderen hun seksuele impulsen op hun ouders botvieren. Freud had het over het ‘oedipuscomplex’ (genoemd naar de tragische Griekse held), waardoor we er allemaal onbewust naar neigen om ‘verliefd te zijn op de ene ouder en een hekel te hebben aan de andere’.

Zo begint het: de meeste mensen zijn als kind heel erg aan hun moeder gehecht. Freud zei dat jongetjes hun primitieve seksuele impulsen automatisch op haar richten. Maar hoeveel ze ook van ons houdt, onze moeder zal altijd een eigen leven blijven houden. Ze heeft waarschijnlijk een relatie (waarschijnlijk met onze vader), of ze heeft een aantal andere prioriteiten waardoor we ons als kind gefrustreerd en tekortgedaan voelen. Hierdoor is onze jonge ik boos en jaloers – en voelt zich beschaamd en schuldig om die woede. Een jongetje zal daarom de persoon die zijn moeder bij hem weghaalt haten en hij zal bang zijn dat die persoon hem zal vermoorden. Dit hele complex – nu snappen we dat woord – veroorzaakt ontzettend veel onrust bij een kind. (Vanuit Freuds oogpunt hebben kleine meisjes het net zo moeilijk, alleen hebben zij een iets ander complex.)

En dan is er het probleem van incest. Volwassenen moeten geen seks hebben met kinderen; er rust een groot taboe op incest, waar de samenleving op vertrouwt. Ook behoren we geen seks te hebben met mensen aan wie we verwant zijn. Maar ook al beweren we het afschuwelijk te vinden, als we inderdaad nooit aan incest denken, dan zou het volgens Freud nooit een taboe zijn geworden, tenzij er heel veel mensen zijn die in hun onderbewustzijn het taboe graag zouden willen doorbreken. Dit verklaart alle hysterie rond incest en seks met kinderen – we hebben het idee daaraan ergens in ons achterhoofd.

Om seks binnen de familie te voorkomen, moet het kind worden afgeleerd om seks met vader of moeder te willen hebben. De ouders moeten ook vriendelijk zijn en er niet voor zorgen dat het kind zich schuldig voelt over seks. Maar er zijn allerlei andere dingen die behoorlijk mis kunnen gaan.

De meeste mensen ervaren een vorm van seksuele verwarring met betrekking tot hun ouders, die later verband houdt met hun ideeën over liefde. Onze vader en moeder geven ons allebei liefde, maar daarbij vertonen ze ook allerlei ongerust makend gedrag. Omdat we echter van ze houden, blijven we hun en hun destructieve gewoonten trouw. Als onze moeder afstandelijk is en kleinerende opmerkingen maakt, zullen we toch geneigd zijn om naar haar te verlangen of haar zelfs heel aardig te vinden. Als gevolg hiervan zullen we liefde al snel met afstandelijkheid associëren.

3. Volwassenheid

We zouden idealiter zonder enige problemen genitale seks moeten kunnen hebben en uiteindelijk, wanneer we iemand gevonden hebben die aardig is, seks met liefde moeten kunnen combineren. Maar dat gebeurt natuurlijk vrijwel nooit.

Het is typerend dat we seks en liefde niet kunnen combineren: we hebben het gevoel dat seks niet samengaat met tedere gevoelens. ‘Dit soort man toont een sentimenteel enthousiasme voor vrouwen die hij diep respecteert, maar die hem niet tot seksuele activiteiten stimuleren,’ schreef Freud, ‘en hij is alleen potent met vrouwen van wie hij niet “houdt” en van wie hij geen hoge dunk heeft, of die hij zelfs verafschuwt.’

Niet alleen individuen hebben neuroses, ook de maatschappij lijdt eraan. In zijn boek Het onbehagen in de cultuur (1930) schreef Freud dat een zekere mate van onderdrukking en psychologische disfunctie eenvoudig de prijs zijn voor leven in een maatschappij. De samenleving eist de regulering van seks, legt ons het incesttaboe op, verlangt van ons dat we onze begeerten van dit moment uitstellen, eist dat we ons aan de regels houden en geeft alleen geld in ruil voor werk. Een maatschappij die niet onderdrukt, is een tegenstrijdigheid.

4. Analyse

Freud probeerde een middel te vinden om neuroses te genezen: psychoanalyse. Maar van het begin af aan was zijn aanbod zeer beperkt. Hij dacht dat de patiënt jonger moest zijn dan vijftig, anders zou zijn geest te star zijn. Bovendien was zijn behandeling heel duur, omdat hij vond dat zijn patiënten vier keer per week moesten komen. Ook was hij vrij pessimistisch over het resultaat: hij geloofde dat hij een hysterisch gevoel van ongelukkig zijn in het beste geval tot alledaagse ellende kon ombuigen. Maar toch dacht hij dat mensen zich door middel van een beetje goede analyse bewust kunnen worden van hun neuroses en zich beter kunnen aanpassen aan de moeilijkheden van de realiteit.

Hier is een aantal zaken dat Freud tijdens zijn sessies probeerde te ‘analyseren’:

A. Dromen

Freud geloofde dat we ons in onze slaap kunnen ontspannen en ons van de problemen van het bewustzijn kunnen ontdoen, en dat we bovendien wat hij ‘wensvervulling’ noemde kunnen ervaren. Het is op het eerste gezicht misschien niet zo logisch. We denken wellicht dat we dromen dat we zakken voor ons eindexamen, omdat we gestrest zijn door ons werk. Maar Freud zei dat we zulke dromen krijgen omdat we ergens zouden willen dat we gezakt waren en daardoor niet al die verantwoordelijkheden van het volwassen-zijn, onze baan en de financiële zorg voor ons gezin zouden hebben. Natuurlijk hebben we ook meer intuïtieve wensvervullingsdromen, zoals dromen waarin we met die aantrekkelijke collega naar bed gaan, van wie we niet eens wisten dat we die leuk vinden.

Wanneer we wakker worden, moeten we ons weer voegen naar de wereld en de eisen van ons moralistisch superego, dus in de meeste gevallen onderdrukken we onze dromen. Daarom vergeten we de dromen die we hadden ook weer snel.

B. Freudiaanse versprekingen

Freud schonk veel aandacht aan welke woorden zijn patiënten gebruikten en vond het vooral veelbetekenend als ze zich verspraken en daardoor onbedoeld onthulden wat er werkelijk in hen omging. Zo’n verspreking noemen we nu een freudiaanse verspreking.

Freud schreef bijvoorbeeld over een man die zijn vrouw (die hij niet erg mocht) had gevraagd om zich bij hem in Amerika te voegen, waar hij was gaan wonen. De man bedoelde voor te stellen dat ze met het schip de Mauretania zou komen, maar hij schreef dat ze met de Lusitania moest komen, die tijdens de Eerste Wereldoorlog bij de kust van Ierland was gezonken als gevolg van een torpedoaanval door een Duitse onderzeeër, waarbij alle opvarenden om het leven waren gekomen.

C. Grappen

Freud dacht dat humor een psychologisch overlevingsmechanisme was. In zijn boek De grap en haar relatie met het onbewuste (1905) verklaarde hij: ‘[Grappen] faciliteren de bevrediging van een (begerig of vijandig) instinct in geval het in de weg wordt gestaan door een obstakel.’ Met andere woorden, grappen stellen ons net als dromen in staat om ons aan autoriteit te onttrekken en onze verlangens in vervulling te laten gaan.

In 1933 kwamen de nazi’s aan de macht. ‘Wat een vooruitgang boeken we,’ zei Freud tegen een vriend. ‘In de middeleeuwen zouden ze me verbrand hebben, tegenwoordig zijn ze tevreden met het verbranden van mijn boeken.’ Zelfs hij zag niet in wat de wereld met de nazi’s voor zich had. Vrienden uit de elite en een vriendelijke nazi-officier hielpen hem en zijn familie naar Londen ontsnappen, waar hij de rest van zijn leven bleef wonen. In 1939 stierf hij aan kaakkanker.

In zijn voetstappen tredend hebben andere analytici nieuwe psychoanalytische technieken, en uiteindelijk het brede en gevarieerde vakgebied van de moderne psychiatrie ontwikkeld. Het grootste deel van de moderne therapie is heel anders dan die van Freud, maar het begon allemaal met zijn ontdekking van de donkere en moeilijke aspecten van ons innerlijk, en zijn theorie dat die onder begeleiding van een getrainde en vriendelijke luisteraar langzaam zijn te ontwarren.

We denken misschien dat we hem ontgroeid zijn, of dat hij altijd belachelijk is geweest. Het is verleidelijk om te zeggen dat hij alles gewoon verzonnen heeft en dat het leven helemaal niet zo moeilijk is als hij doet voorkomen. Maar als we op een ochtend onverklaarbaar kwaad zijn op onze partner, of ons in de trein op weg naar ons werk meedogenloos gestrest voelen, worden we er weer aan herinnerd hoe ongrijpbaar, moeilijk en freudiaans de werking van onze hersens eigenlijk is. We kunnen zijn werk natuurlijk best afwijzen, maar zoals Freud zei: ‘Iemand die de sleutel hooghartig afwijst, zal nooit in staat zijn de deur te openen.’

Dit artikel is afkomstig uit het boek van The School of Life, Grote denkers. Het is uit het Engels vertaald door Susan Ridder en uitgegeven door Nijgh & Van Ditmar. Het boek is o.a. verkrijgbaar in onze winkel op Frederiksplein 54 en natuurlijk ook online.

In onze Jaaropleiding: Grote Denkers is Sigmund Freud een van de 100 grote denkers waarover college wordt gegeven.

Recent entries